Wat drijft de islamisten?

C:\Stichting Sense\LOGO stichting SENSE.jpg

Rubriek Overige religies
Titel ‘Wat drijft de islamisten?

De diepere oorzaken van de islamitische haat tegen het Westen’

Lezing door W.J. Sebök bij Stichting Sense
Plaats, datum Amersfoort, 16 feb 2019
Bewerkt door Dr. Bart. L. Eikelenboom
Korte inhoud In deze lezing geeft Jenö Sebök de achtergronden – onder andere vanuit de ‘metahistorie’ – voor de islamitische haat tegen Israël en het Westen.
Trefwoorden Islamitische haat, Israël, religieus extremisme, Azazel. ISIS, Jenö Sebök
Bronnen Bijbel, eBook 5150500020011 | Moria

‘Wat drijft de islamisten?
De diepere oorzaken van de islamitische haat tegen het Westen’

Inleiding

Jenö Sebök is een Nederlander met Hongaarse vader. Hij heeft 2 jaar in Saoudi-Arabië gewoond, de Koran gelezen en de Arabieren en hun mentaliteit goed leren kennen. Ook heeft hij 23 jaar bij Open Doors gewerkt, onder andere als Publiciteitsmanager, sinds 1990 in Moslimlanden. Tijdens zijn reizen viel hem de intense haat van de Arabieren tegen Israël op, maar ook de afkeer van West-Europeanen en Amerikanen voor de Arabieren (‘geiteneukers’). In deze lezing geeft hij de achtergronden – onder andere vanuit de ‘metahistorie’ – voor de islamitische haat tegen Israël en het Westen.

De feiten

De feiten liggen op tafel: El Fatah is erop uit om de Joden in zee te drijven. Zij beroepen zich daarbij op de uitspraken van Mohammed. We hebben twee intifada’s gehad en 11 september 2001 ligt nog vers in ons geheugen. Er lijkt een diepe haat tegen Israël, Amerika en het Westen te zijn, onder andere onomwonden onder woorden gebracht door Chomeini in 1980 en ondersteund met daden (aanslag op de Amerikaanse ambassade in Iran). Verder lijken de activiteiten van ISIS en de islamitische terreur tegen het Westen in het algemeen te wijzen op een collectief minderwaardigheidscomplex. De Arabische cultuur is een schaamtecultuur, waarbij alles mag als niemand het maar weet en waar gezichtsverlies te allen tijden voorkomen moet worden. Arabische christenen zelf waarschuwen voor de aspiraties van de islam, zij vinden ons ontzettend naïef dat we (terroristische) acties negeren of bestempelen als niet zijnde de ware islam.

Waar komen die diep gewortelde haat en afkeer vandaan?

Wat is de voedingsbodem van die haat en afkeer? Sociologen zoeken de verklaring in de armoede en werkloosheid van de Arabische bevolking. De mensen hebben geen hoop op een betere toekomst, en men vlucht in religie om de dagelijkse problemen te kunnen vergeten. ‘Armoede voedt religieus extremisme’, zegt men dan. Anderen zoeken de oorzaak in de islam. De islam stelt zichzelf hoogmoedig boven alle andere godsdiensten. Dat zou de haat tegen het Westen verklaren, want men gaat ervanuit dat iedere Westerling christen is. Weer anderen geven het kolonialisme de schuld. De Arabische landen hebben gezucht onder de Westerse overheersing. Tegen deze verklaringen valt echter veel in te brengen, ook al hebben zij voor een deel gelijk:

  • Armoede en uitzichtloosheid is wel degelijk een voedingsbodem voor extremisme. Jongeren die geen toekomst zien laten zich makkelijker rekruteren door gewelddadige extremistische groeperingen als Al Kaïda of ISIS. Maar geldt dat ook voor die duizenden jihadisten uit Europa of Amerika?
  • De islam is inderdaad een belangrijke factor. Het is niet alleen een geloof, maar ook en vooral een ideologie. Heel de wereld moet onderworpen worden aan de islam en alle mensen moeten zich houden aan de sjaria. Het voorbeeld van Mohammed inspireert tot religieus extremisme. Niet-moslims (‘kaffers’) worden als minderwaardig beschouwd, en dat geldt zeker voor het decadente christelijke Westen. Maar waarom is dit zo? En waarom juist het Westen?
  • En dan het kolonialisme? Door het kolonialisme voelt men zich vernederd, en juist dat gevoel van vernedering wordt gevoed door de islam. De laatste eeuwen hebben de Arabieren vernederingen moeten ondergaan. Zij zijn inderdaad gekoloniseerd door twee Westerse landen, Engeland en Frankrijk, maar dat heeft hooguit een eeuw geduurd. Maar dat ze wel vijf eeuwen lang door de Turken overheerst en verdrukt zijn, daar hoor je ze nooit over. Waarom kunnen de Arabieren vernedering door de Turken wel verdragen, maar vernedering door het Westen niet?

Nee, de geschiedenis, de sociologie en de religie geven geen afdoende verklaring voor de Arabische mentaliteit. Onze drijfveren worden niet uitsluitend bepaald door economische en materialistische motieven. (Dat dacht Marx en veel seculiere sociologen denken dat nog steeds.) We moeten dieper graven. De ‘metahistorie’ die de geestelijke krachten achter de geschiedenis onderzoekt, geeft een betere verklaring. Deze diepgewortelde haat vindt zijn oorsprong in de vernedering van Ismaël door zijn broer Izaäk, nu meer dan drieduizend jaar geleden. Dit heeft tot een etnisch minderwaardigheids-complex geleid met desastreuze gevolgen tot in onze tijd.

Metahistorie

Metahistorie is de geschiedenis achter de geschiedenis, net zoals metafysica de natuurkunde achter de natuurkunde is. Het gaat om de onzichtbare dingen. Volgens Paulus zijn die echter het belangrijkste: “Wij richten ons niet op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, de onzichtbare eeuwig” (2 Kor. 4:18). Bij die onzichtbare dingen hebben we het over gebed, profetie, zegen en vloek, engelen en goden, strijd in de hemelse gewesten, et cetera. Zaken die allemaal invloed hebben op de geschiedenis, maar die onzichtbaar zijn en waar seculiere historici zich verre van houden. Een voorbeeld. Uit Daniël weten we dat volkeren een engelvorst in de hemelse gewesten hebben. Er is sprake van een vorst van Perzië en de vorst van Israël. Van de laatste kennen we de naam: Michaël. God heeft blijkbaar ‘legeroversten’ aan de volken op aarde toebedeeld: “Pas er ook voor op dat u uw ogen niet opslaat naar de hemel, en de zon, de maan en de sterren ziet, heel het leger aan de hemel, en u laat verleiden om u voor hen neer te buigen en hen te dienen. De HEERE, uw God, heeft hen aan al de volken onder de hele hemel toebedeeld, maar u heeft de HEERE genomen en uit de ijzeroven, uit Egypte geleid, om voor Hem tot een erfvolk te zijn, zoals het op deze dag is” (Deut. 4:19, 20). God is zelf de Allerhoogste, maar hij heeft wel een overste en vorsten aangesteld, al blijft Hij de eigenaar van alle volken: “Ik heb wel gezegd: U bent goden, u bent allen zonen van de Allerhoogste; toch zult u sterven als een mens, zoals iedere andere vorst zult u vallen. Sta op, o God, oordeel de aarde, want U bezit alle volken” (Ps. 82:7, 8). Deze toebedeelde ‘vorsten’ – ook wel ‘archonen’ of ‘sars’ genoemd – zijn geestelijke machten die hun volk geestelijk beheersen. Zij staan rechtstreeks onder satan, de duivel, die de overste van deze wereld genoemd wordt. Zij hebben een onzichtbare invloed op het karakter van het betreffende volk.

In de onzichtbare wereld gaat het bij het Midden-Oosten-conflict om de strijd tussen de geestelijke vorst van Israël en de vorst van de Arabieren. Van deze laatste vorst denk ik de naam te weten: Azazel. Waarom Azazel? In Leviticus 16 worden op Grote Verzoendag twee bokken genomen: de één draagt de zonden van Israël en wordt geslacht (de ‘zondebok’). De ander wordt niet geslacht, maar wordt met de zonden van Israël de woestijn ingestuurd. Dit lijkt Azazel te zijn, waarvan het apocriefe boek Henoch zegt dat hij één van de zonen van God is die in opstand is gekomen en als engelvorst aan de Arabieren is toegewezen. Dat zou metahistorisch verklaren waarom de boodschap van Mohammed zo goed en zo enorm snel wortelschoot onder de Arabieren. (Vergelijkbaar met de snelheid waarmee de West-Europeanen de Reformatie omhelsden, zij leken daarvoor ook metahistorisch ‘voorgeprogrammeerd’.) Laten we daar eens naar kijken.

Iets over de islam

Mohammed was geboren in Mekka en werd later als weesjongen door zijn oom opgevoed. Hij moest de kuddes van zijn oom hoeden in de woestijn. Eenzaamheid in de woestijn zet mensen aan het denken en mediteren. Mohammed moet veel hebben nagedacht over het geloof. Hij moest niets hebben van het heersende heidendom met z’n vele goden zoals dat in Mekka en omgeving beleefd werd (in Mekka waren 365 goden). Mohammed stamde af van de Hanifs. Zijn pleegvader heette Abdallah (‘knecht van God’). Dat waren mensen die het geloof van Abraham in één God al die eeuwen bewaard hadden, maar niet erg zuiver. Toch moeten zij nog heel wat herinneringen aan de vroege Bijbelse geschiedenis hebben bewaard, want Mohammed veronderstelde die kennis bij zijn gehoor. Later touwde Mohammed met een rijke weduwe, Chadidja, die veel ouder was dan hij. Hij moet erg veel van haar gehouden hebben en leefde monogaam. Zij stuurde karavanen met handelswaar door heel Arabië en Mohammed mocht die leiden. Zo kwam hij ook in contact met Joden en christenen. Hij moet diepgaande geloofsgesprekken gevoerd hebben. Later nam hij de tijd om te mediteren in een grot bij Mekka. Tijdens één van de meditaties werd hij bezocht door de engel Gabriël (dit was echter Azazel die zich voordeed als ‘Djibril’ of Gabriël). Dat was een heel angstige ervaring. Hij stikte bijna. Hij probeerde te ontsnappen uit de grot, maar telkens stond die reusachtige engel voor hem. Het is hem toch gelukt om weg te komen en hij haastte zich naar huis, naar zijn geliefde Chadidja. Daar stortte hij zijn hart uit. Hij zei dat hij door een ‘djinn’ (boze geest) bezocht was, maar Chadidja wist hem ervan te overtuigen dat het een engel van God (Allah) moet zijn geweest die hem had geroepen om zijn profeet te zijn. Mohammed ging dus de boodschap die hij doorgekregen had, uitdragen. Een heel eenvoudige boodschap: er is maar één God. Aan Hem alleen moet je je onderwerpen (islam betekent onderwerping).

Mohammed kreeg aanvankelijk maar weinig volgelingen. Hij werd uitgelachen en bespot. Hij hield veel theologische discussies met Joden en ook wel met Christenen. Maar die lachten hem helemaal uit, want zijn Bijbelkennis rammelde aan alle kanten. Zo verwisselde hij Mirjam, de zuster van Mozes met Maria/Mirjam, de moeder van Jezus. Maar Mohammed was overtuigd van zijn gelijk: de Joden en de christenen hadden Gods woorden verdraaid, alleen hij had de ware leer. Hij kreeg ook telkens nieuwe openbaringen uit de hemel. En die kwamen hem vaak wel goed uit. Terwijl hij eerst de polygamie beperkt had tot vier vrouwen, nam hij er zelf veel meer. Daar werd natuurlijk kwaad van gesproken, maar daar kreeg hij een speciale openbaring voor. Verder kreeg hij na een verloren veldslag de openbaring dat de mensen, die in de ‘jihad’ sneuvelden, regelrecht naar het paradijs gingen.

Mohammed moet beslist de gave van het woord gehad hebben, en dat werd in Arabië erg gewaardeerd. De dichtkunst stond ook hoog aangeschreven. Zijn openbaringen sprak hij in versvorm uit, en ze waren zo mooi dat ze wel door de hemel geïnspireerd moesten zijn. Dat was dan ook zijn enige legimitatie.

Afbeelding met gras, buiten, groep, persoon Automatisch gegenereerde beschrijving Na tien jaar moest hij met zijn volgelingen vluchten uit Mekka. Hij ging naar Medina, waar behalve Arabieren, ook veel Joden woonden, twee ‘stammen’. Ze kozen hem als politieke leider omdat ze hoopten dat hij de vrede zou bewaren. Mohammed nam het aanbod maar al te graag aan (dit zou je zijn zondeval kunnen noemen). Vanaf dat moment begon hij karavanen te beroven. Eerst alleen van de Mekkanen, voor wie hij had moeten vluchten. Dat ging zo goed dat hij zijn rooftochten uitbreidde. Het werden hele veldslagen, en meestal won hij ze. Dat leverde hem roem en buit op. De overwonnen strijders in deze ‘heilige oorlogen’ (jihad) kregen de keus: moslim worden of gedood. Natuurlijk kozen de meesten ervoor om moslim te worden. Dan werden zij ook weer opgenomen in het zegevierende leger van Mohammed en mochten ze delen in de buit.

Mohammed zelf hield zich aan geen enkele afspraak of verdrag, maar dat wist hij telkens goed te praten met een openbaring die hij precies op tijd kreeg. Zo heeft hij de periode van ‘vier maanden geen strijd’ verkort tot slechts 1 maand: de ramadan. Op deze manier heeft hij in tien jaar het hele Arabische schiereiland tot de islam bekeerd. Zijn volgelingen hebben in een eeuw het hele Midden-Oosten, de Balkan en het Iberisch schiereiland tot de islam onderworpen. Totdat ze in 754 bij Poitiers werden tegengehouden, honderd jaar na de dood van Mohammed.

In de eerste eeuwen is de islam wel geëvolueerd. De uitspraken van Mohammed werden 20 jaar na zijn dood verzameld in een boek: de Koran. De leer was (en is) dat de citaten letterlijk uit de ‘oer-koran’ komen die in de hemel bewaard wordt op stenen tafelen (net als de tien geboden). De koran is kort na de dood van Mohammed samengesteld en later gecanoniseerd. Het bevat een losse verzameling van uitspraken van Mohammed en ook veel twistgesprekken van hem, met name met de Joden.

De islam beroept zich niet alleen op de onfeilbare koran, maar ook op de ‘hadith’. Dat is de overgeleverde traditie over het leven en voorbeeld van Mohammed. Mohammed is het rolmodel voor elke goede moslim. De Hadith werd echter pas twee eeuwen na zijn dood te boek gesteld. Dat betekent dat die verhalen twee eeuwen lang ongebreideld hebben kunnen voortwoekeren en is daardoor ook vaak innerlijk tegenstrijdig en onbetrouwbaar (een belangrijk boek in dit verband is: ‘Het leven van de profeet Mohammed’ van Ibn Ishaak, vertaald door Wim Raven). Toch beroepen bijvoorbeeld jihadisten zich nog meer op het voorbeeld van Mohammed dan op de Koran. Ook de Koran zelf staat vol met tegenstrijdigheden, maar daar hebben de moslimtheologen wat op gevonden: de ‘abrogatie’. Dat is de regel dat als een uitspraak van Mohammed in tegenspraak is met een eerdere uitspraak van hem, dat dan alleen de laatste geldig is.

Terug naar de metahistorie

Volgens de metahistorie worden volkeren dus gedreven door onbewuste krachten, sympathieën, antipathieën en instincten die verklaard worden uit de geestelijke vorst die aan het betreffende volk is toegewezen. Deze metahistorie lijkt een plausibele verklaring voor bijvoorbeeld onze liefde voor Israël, onze afkeer van Arabieren en omgekeerd de afkeer van de Arabieren voor Israël en het Westen. De metahistorie verklaart de tegenstellingen tussen islam en Christendom en tussen Arabieren en Israël en het Westen, uit de ‘oertegenstelling’ tussen Ismaël en Izaäk in de tijd van Abraham. De Arabieren zijn de nazaten van Ismaël (ik heb ooit een poster gekocht waarop de stamboom van Mohammed te zien was die teruggaat tot Abraham, via Ismaël). We kennen de geschiedenis: God beloofde aan Abraham een zoon die (1) tot een groot volk zou worden, (2) tot zegen van de mensheid zou zijn (“in jouw nageslacht zullen alle volken op aarde gezegend worden”) en (3) zijn nageslacht zou het beloofde land beërven. Drie beloftes dus, drie erfenissen. Aanvankelijk dacht Abraham dat zijn zoon Ismaël – gebaard door Hagar, de slavin van zijn vrouw Sarah – de zoon der belofte was. Hij had er zoveel jaren naar uitgezien. Ook nadat Izaäk geboren was uit Sarah, gold Ismaël als zijn eerste erfgenaam. Reken maar dat hij hem helemaal heeft opgevoed in die geest. Hij zou tot een groot volk worden, zijn nageslacht zou het land beërven en tot zegen van de volken van de wereld worden.

Er ontstond een grote jaloezie en rivaliteit tussen Sarah en Hagar. Vanaf het moment dat Hagar zwanger was, begon ze zich boven haar meesteres Sarah te verheffen. Dit stak Sarah enorm en moet haar veel verdriet gedaan hebben. Hagar was niet de eerste de beste, zij was een Egyptische prinses, de dochter van de Farao. Sarah op haar beurt vond het nodig om Hagar eens goed op haar nummer te zetten. Zij mocht dan wel een prinses zijn, zij was wel als slavin aan Sarah gegeven. De Bijbel vertelt het als volgt:

“Maar Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen geschonken. Nu had zij een Egyptische slavin, van wie de naam Hagar was. Daarom zei Sarai tegen Abram: Zie toch, de HEERE heeft mijn baarmoeder gesloten, zodat ik geen kinderen kan krijgen. Kom toch bij mijn slavin; misschien zal ik uit haar nageslacht krijgen. En Abram luisterde naar de stem van Sarai. Toen nam Sarai, de vrouw van Abram, Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Abram tien jaar in het land Kanaän gewoond had, en gaf haar aan Abram, haar man, als vrouw voor hem. Hij kwam bij Hagar en zij werd zwanger. Toen zij nu zag dat zij zwanger geworden was, was haar meesteres in haar ogen verachtelijk. Toen zei Sarai tegen Abram: De verantwoordelijkheid voor het onrecht dat mij wordt aangedaan, ligt bij jou. Ik heb jou zelf mijn slavin in je schoot gegeven, maar nu zij ziet dat zij zwanger is geworden, ben ik in haar ogen verachtelijk. Laat de HEERE oordelen tussen mij en jou. En Abram zei tegen Sarai: Zie, jouw slavin is in jouw macht. Doe met haar wat goed is in jouw ogen. Toen vernederde Sarai haar, zodat zij bij haar wegvluchtte. De Engel van de HEERE vond haar bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur. En Hij zei: Hagar, slavin van Sarai! Waar komt u vandaan en waar gaat u heen? Zij zei: Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Sarai. Toen zei de Engel van de HEERE tegen haar: Keer terug naar uw meesteres, en onderwerp u aan haar gezag. Verder zei de Engel van de HEERE tegen haar: Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden. Ook zei de Engel van de HEERE tegen haar:

Zie, u bent zwanger;

u zult een zoon baren

en u moet hem de naam Ismaël geven,

omdat de HEERE uw verdrukking gehoord heeft.

En hij zal zijn een wilde ezel van een mens;

zijn hand zal tegen allen zijn,

en de hand van allen tegen hem;

en hij zal wonen tegenover al zijn broeders.”

Afbeelding met buiten, grond, water, strand Automatisch gegenereerde beschrijving Nadat Izaäk eenmaal geboren was, ging het helemaal mis. Volgens de Bijbel spotte Ismael met zijn broertje toen hij gespeend werd. Ismaël was toen al 17 of 18 jaar. Volgens de joodse traditie (Jasher) mikte Ismaël met zijn pijl en boog op Izaäk. Dat werd Sarah helemaal te gortig: “Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Izaäk! Dit nu mishaagde Abraham zeer ter wille van zijn zoon.” En toen zei God ook tegen Abraham dat hij Ismaël de woestijn in moest sturen. Dít is de wortel van het conflict, de vernedering en de onterving van Ismaël…

Kunt u zich voorstellen hoe Abraham zich gevoeld moet hebben? Hij had het nog zo voor Ismaël opgenomen: “Och mocht Ismaël voor uw aangezicht leven?”

Maar ook, hoe moeten Ismaël en zijn moeder Hagar zich gevoeld hebben? Ten diepste vernederd, afgewezen, verstoten. En dat terwijl zij 17 jaar lang de gedachte gekoesterd hadden dat Ismaël de zoon der belofte was. Een drieledige belofte. Een belofte met politieke en religieuze consequenties..

Ismaël was stinkend jaloers op zijn broertje, door wie hij zo vernederd was. In zijn hart bleef hij hopen op de erfenis. En die hoop, maar ook die jaloezie en de verachting van Izaäk heeft hij overgedragen op zijn nageslacht, daarbij mogelijk geholpen door de hemelvorst Azazel. Dít verklaart het Arabische minderwaardig-heidscomplex en hun diepe haat tegen de Joden. In hun hart hebben de Arabieren altijd: (1) het beloofde land willen bezitten en (2) de volken tot zegen willen zijn. Dat verlangen moet zeker in Mohammed geleefd hebben. En dat was een vruchtbare voedingsbodem voor Azazel, die zich voordeed als de engel Gabriël. Zijn boodschap? “Onderwerp u aan Allah”. Zoals hun voormoeder Hagar zich moest onderwerpen aan haar meesteres Sarai, zo moeten de moslims zich slaafs onderwerpen aan Allah. En op hun beurt moeten de moslims de hele wereld onderwerpen aan Allah. En daarbij zijn alle middelen geoorloofd: prediking, omkoping, terrorisme en oorlog, naar het voorbeeld van Mohammed.

De haat tegen de Joden en het Westen

Metahistorisch is de haat tegen de Joden makkelijk te verklaren: ze zijn de nazaten van Izaäk. De Joden bezitten nu het beloofde land met daarin Jeruzalem, waardoor jaloezie ten aanzien van deze politieke erfenis is ontstaan. Wat de geestelijke erfenis betreft moeten we kijken naar de christenheid en de moslimwereld. De moslims zijn de geestelijke erfgenamen van Mohammed en hebben met zijn leer ook zijn jaloezie geërfd. De Joden zijn tot zegen geworden door hun nazaat Jezus Christus. Alle volken die Jezus Christus hebben aangenomen vallen dus onder die zegen (de Joden zelf zijn niet zo’n groot volk), zij zijn de geestelijke erfgenamen van Abraham, tot jaloezie van Ismaël. Dat is één verklaring waarom het christendom en de islam altijd vijandig tegenover elkaar hebben gestaan.

Maar waarom richt die haat en die afkeer zich niet alleen tegen de Joden, maar ook tegen het Westen? Een mogelijke verklaring ligt in de etniciteit van de volkeren: de Joden zijn voortgekomen uit Abraham, Izaäk en Jakob en zijn 12 zonen. In enge zin komen de Joden uit de zoon/stam Juda (en Benjamin en een deel van Levi), de 2 stammen die het Zuidrijk uitmaakten na de splitsing van het volk Israël in de tijd van Salomo. De Noordelijke 10 stammen waren 150 jaar eerder al verbannen naar Assyrië (het Noorden van Irak) en nooit meer teruggekeerd naar Israël (terwijl dat wel geprofeteerd is in Ezechiël 37). 4 Ezra lijkt er nog wat over te zeggen, maar het is behoorlijk onduidelijk. De geschiedenis in de Bijbel gaat wel verder met de stammen van het Zuidrijk, waaruit Esther is voortgekomen, de Edomieten onder de Makkabeeën, de proselieten in Jezus’ tijd en later de Azkenazische en Sefardische Joden. De Joden lijken door de geschiedenis heen etnisch zeer verdund, maar er moet een substantieel deel etnische Joden onder de Joden leven. Over waar ze nu zijn bestaan veel theorieën, bijvoorbeeld de Brits-Israëlvisie, die stelt dat deze stammen na vele omzwervingen in Noord-West Europa zouden zijn neergestreken, kortom ‘het Westen’. Dit zou dan metahistorisch ook de haat van de islamisten tegen het Westen verklaren.

De Arabieren (Arabier – Abir – Heber – Hebreeër) kennen ook noordelijke en zuidelijke afstammelingen. De Noordelijke Arabieren zijn afstammelingen van Ismaël die ten Oosten van Israël woonde. De Zuidelijke Arabieren zijn afstamme-lingen van Joktan, de broer van Peleg, de zoon van Heber. Na de veroveringen en inlijving van andere volken door Mohammed lijkt het hele Midden-Oosten en Noord-Afrika aan de Arabieren toe te behoren, hoewel dus niet alle Arabieren hoeven af te stammen van Ismaël.

Als dit alles waar is, verklaart het niet alleen de haat van de Arabieren tegen de Joden en hun aanspraak op het beloofde land, maar ook hun haat tegen het Westen, getuige alle terroristische acties. En verklaart het de bijzondere band die Nederlanders hebben met de Joden. Het conflict zit metahistorisch veel dieper dan dat wij die door diplomatie, oorlog, omkoperij of wat voor vredesinitiatief dan ook zouden kunnen oplossen. Als dit waar is, blijft het conflict ook niet beperkt tot het Midden-Oosten. Israël bevindt zich dan in onder andere West-Europa en Amerika, het is een wereldwijd conflict.

Een oplossing?

De metahistorie, de onzichtbare geestelijke wereld lijkt een enorme invloed te hebben op de huidige conflicthaarden en etnische eigenheden. Voorbeelden te over: na de dekolonisatie koos de bevolking van de koloniën voor de vrijheid en nam de armoede die daarvan het gevolg was op de koop toe. Afrika werd na de kolonisatie in armoede en corruptie gestort, maar ze hadden het er voor over. Of denk aan de Brexit. In onze tijd zien we dat er in de Westerse wereld een enorme weerstand komt tegen ongebreidelde immigratie. Waarom? Omdat men bang is dat de immigranten onze banen inpikken? Nee, ze leveren alleen maar meer werk op. Nee, men is bang dat onze eigen tradities en cultuur geroofd worden. Het gaat om onze eigenheid. Denk maar aan de Zwarte Piet-discussie.

Afbeelding met lucht, gebouw, buiten, stad Automatisch gegenereerde beschrijving Ook de strijd om Jeruzalem is een geestelijke strijd die past in de ideologie van de islam. De Palestijnen zijn een pion in die strijd. Zij worden geofferd voor de grote zaak/ideologie van de islam. Maar nog dieper is ook de islam slechts een symptoom, een (wel iets meer dan een) pion in de geestelijke strijd die woedt achter de schermen van het wereldtoneel. Isaäk da Costa profeteerde lang geleden al dat er pas vrede komt wanneer Ismaël zich vernedert voor Israël (zie ook Jesaja 60:4-8). Metahistorisch moet Hagar terugkeren en zich onderwerpen aan haar meesteres Sarah en haar zoon Izaäk in de vorm van hun nazaat Jezus.

Wat moeten wij dan doen in die geestelijke strijd? In ieder geval onze hoop niet op geld of macht vestigen en ons niet laten misleiden door de macht van het getal (in de Bijbel overwonnen de minderheden vaak, met Gods hulp). De Arabieren bejegenen als broeders en voor hen bidden. Ze niet langer vernederen maar in hun waarde laten. Niet emotioneel partij kiezen in het conflict. Als er één conflict is in de wereld waar God zelf zeer nauw bij betrokken is, dan is dit het wel. Uiteindelijk is verzoening alleen mogelijk aan de voet van het kruis, het is dus goed om te evangeliseren – hoewel misschien niet door ons Westerlingen in het Midden-Oosten, gezien de (geestelijke) aversie en de gevoeligheden naar aanleiding van de kolonisatie – misschien is het effectiever om Aziatische zendelingen naar de Arabieren te sturen.  We moeten bidden tegen de metahistorische geest van de islam, het gaat tenslotte om een strijd in de hemelse gewesten. Ook bidden voor de bekering van de Arabieren en dat we liefde voor hen krijgen. Ons belangrijkste gebed zal zijn voor de vrede van Jeruzalem en de spoedige wederkomst van Christus.

 

Menu