Intellect en intuïtie: in New Age verdoolde idealen

C:\Stichting Sense\LOGO stichting SENSE.jpg

Rubriek New Age en nieuwe spiritualiteit
Titel Intellect en intuïtie: in New Age verdoolde idealen
Lezing door Hans van Meurs bij Interkerkelijke Werkgroep “Bijbel of New Age”
Plaats, datum Utrecht, 9 januari 1993
Bewerkt door Drs. G. van Ginkel (Sense), maart 2020                                                                        (CBE)
Korte inhoud Het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent (Blaise Pascal): welke kennis hebben jongeren in een onzekere wereld nodig?
Trefwoorden New Age, intellect, intuïtie, wetenschap, kennis
Bronnen Blaise Pascal: ‘Pensées’;

Marilyn Ferguson: “De aquarius samenzwering”; “Op zoek naar het hart van God: van New-Age naar Christus. Het levensverhaal van G. Gemser”; Bijbel


Intellect en intuïtie: in New Age verdoolde idealen

Inleiding
Hans van Meurs wil als oud-leraar van een christelijke middelbare school de idealen van New-Age eens bekijken. Het willen weten, het verwerven van kennis geeft een authentieke vreugde en een leraar behoort zijn leerlingen daarin voor te gaan: “Als ik een typering wil maken voor onze tijd waarin New Age opkomt, moet ik terug in de geschiedenis, omdat het heden voortkomt uit het verleden”.

Rond de 17e eeuw leefden twee personen die een geweldige invloed hebben uitgeoefend op de tijd na hen: Renatus Cartesius (1596 – 1650) en Isaac Newton (1642 – 1727). Cartesius is de Latijnse naam voor René Descartes, Frans wijsgeer, wiskundige en humanist. Hij was een vernieuwend, universeel geleerde die de breuk met de Middeleeuwen definitief maakte. Hij maakte de filosofie tot een zelfstandige wetenschap. Zijn invloed is tot in onze dagen op velerlei terrein te vinden. Isaac Newton was een Brits natuurkundige die baanbrekend werk heeft verricht voor de ontwikkeling van de natuurwetenschappen.

Wat deze beiden gemeen hadden was hun sterke nadruk op het vermogen van de mens om, door goed na te denken, te komen tot antwoorden op alle vragen. Hun benadering van de wereld was sterk intellectueel. Sinds Newton en Descartes is de nadruk op het intellect steeds zwaarder geworden. Eerst hebben we de tijd van de Verlichting gekregen en toen de Industriële Revolutie. In onze eeuw groeide dat uit tot een ongekende technologische vooruitgang, met als resultaat welvaart voor velen.

In hun tijdvak leefde nog een andere geleerde: Blaise Pascal (1623-1662). Een Frans wis- en natuurkundige, wijsgeer en religieus denker. Hij bouwde de eerste rekenmachine en bedacht de zo bekende ‘wetten van Pascal’. Hij had iets dat Descartes en Newton misten: hij was zich bewust van de grenzen van de wetenschap en van de rede. “Het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent”, zo schreef hij in zijn ‘Pensées‘. Pascal was de man die zocht naar een evenwicht tussen wetenschap en gevoel, tussen hoofd en hart, tussen intellect en intuïtie.

Christelijk gymnasium
Iets van dat ideaal vinden we terug in het christelijk gymnasium. Een tweevoudige erfenis vormt haar basis: het Evangelie en de Klassieken. Het vakkenpakket van dit gymnasium krijgt daardoor iets evenwichtigs. Zoals Erasmus van Rotterdam al zag: hij publiceerde in 1518 een Nieuw Testament in het Grieks; het Evangelie in de klassieke taal. Het christelijk gymnasium heeft als erfenis beide overgenomen.

Deze geestelijke basis stond ook open voor de natuurwetenschappen. Men werkte oorspronkelijk vanuit de redenering van het Reductionalisme. Hier wordt de ziel verklaard vanuit de biologie. De biologie wordt verklaard vanuit de natuur- en scheikunde en deze zijn onderworpen aan de wiskunde. Alle verklaringen worden afgeleid van iets dat te tellen of te meten is. Wie iets wil bewijzen moet dat met cijfers ‘hard’ maken. De wereld van de ingewikkelde geestelijke verschijnselen wordt zo teruggebracht tot een exacte wetenschap, tot systemen van deductieve en inductieve methoden.

Dat leek eerst mooi samen te gaan. Geleerden als Constantijn Huygens, Christiaan Huygens en Hugo de Groot zijn grote, alzijdige denkers. Maar langzamerhand wordt het intellectualisme hoe langer hoe belangrijker. De waardering voor de rede, het verstand, neemt toe. Dat raakt ook de godsdienst, die dan ook rationalistische trekken krijgt. Men wordt rechtzinnig of vrijzinnig. Heel het menselijk gedrag, de ethiek, moet worden beoordeeld vanuit dat godsdienstig rationalisme.

Intellectueel en intuïtief kennen
Dit intellectuele denken heeft de sfeer op onze (christelijke) scholen sterk bepaald. Er zat weinig gevoel in. “Wat is de logaritme uit een getal? De logaritme uit een getal is de exponent waartoe men het grondtal 10 moet verheffen om tot dit getal te komen!” Maar wat heb je als 13-, 14- of 15-jarige aan deze kennis als je ouders in scheiding liggen? Een opgroeiende jeugd, die weinig meer ingestampt krijgt dan dit soort droge feitenkennis, kan niet anders dan eenzijdig intellectueel ontwikkeld zijn. Het intellectuele ‘kennen’ kan worden uitgedrukt in harde uitspraken die te controleren en te bewijzen zijn. Onze scholen gingen vooral hierop door. Dit soort kennis kan gemakkelijk worden overhoord en bevraagd. Dit kenvermogen wordt gelokaliseerd in de linkerhersenhelft.

Maar er bestaat ook een intuïtief kennen. Een kenbaar stuk leerstof krijgt dan ineens vorm in een groter geheel. Dit kenvermogen wordt gelokaliseerd in de rechterhersenhelft. Laat mij een voorbeeld geven van beide soorten kennis. In 1750 sterft Johan Sebastiaan Bach. Tot dan had hij gewerkt aan “Die Kunst der Fuga”. Maar hij werd blind. Hij moest zijn gedachten dicteren. Hij werkte door, maar kwam niet klaar met zijn werk. Op 1 november 1755 wordt Lissabon getroffen door een verwoestende aardbeving. Duizenden mensen vinden de dood. Goethe is dan 6 jaar, een heel gevoelig jongetje, een dichterlijke geest. Hij is door de berichten over deze aardbeving hevig geschokt. Dit is intellectuele kennis. Maar nu volgt mijn intuïtieve ‘verwerking’ ervan; ik ga deze feitenkennis plaatsen in een groter geheel.

De ‘transformatie’ van Goethe
Bach voelt aan dat er een nieuwe tijd aankomt. Hij is met zijn fuga’s al vervreemd van de mensen om hem heen. Maar hij wil nog één groot werk achterlaten: laten zien wat je met een fuga allemaal kunt doen. Goethe wordt door de aardbeving van 1755 zo geschokt dat hij wegvlucht uit de wereld van het zintuiglijke: “Dit kán niet waar zijn”! Hij ‘transformeert’ naar het rijk van het buitennatuurlijke. Hij zoekt zijn troost in het bovenzintuiglijke en vlucht in het intuïtieve, in het rijk van de geest en wordt een universeel mens. Hij wordt een ‘zwevende geest’, misschien wel de eerste ‘New Ager’. Zo bezien, heeft de aardbeving van Lissabon Europa niet alleen letterlijk, maar ook geestelijk geschokt. De Middeleeuwen waren voorgoed voorbij. De ‘tijd van het einde’, die uitloopt op de Wederkomst van Jezus Christus, was begonnen.

Mijn intuïtie zegt mij dat de tijdgeest na 1755 een andere is dan die daarvoor. Maar ik vraag mijn toehoorders niet om dat zomaar van mij over te nemen. Ik kan er geen proefwerk over afnemen. Toch heb ik dit soort dingen steeds aan mijn leerlingen verteld. Zij hoorden van mij hoe ik de feiten in een groter geheel plaats. Als mens, als christen. En dat is zó nodig! Hieraan ontbreekt het mijns inziens teveel op onze middelbare scholen. Er worden wel massa’s feiten opgesomd, bergen kennis en informatie doorgegeven, maar het staat allemaal op zichzelf. Het is niet in de persoonlijkheid van de leraar geïntegreerd. Het is daarmee tot dode materie geworden en de leerling verveelt zich daarbij stierlijk.

De leerling ontvlucht het intellectuele complex
Het gevolg van dit manco is dat die leerling op zoek gaat naar iets anders, los van dat intellectuele complex. Hij gaat op zoek en ontdekt zelf allerlei dingen, vooral op het terrein van drugs, seks, emoties en religie. Dat wordt hem niet verteld, dat ontdekt hij zelf en dát geeft er de smaak aan.
Het ‘Cartesiaans-Newtonistisch denken’ krijgt hierdoor iets tragisch. Er zijn kerkscheidingen veroorzaakt door het eenzijdig, dorre, theologische denken. Vroeger kon dat nog wel: die heftige polemieken, waarin voor- en tegenstanders elkaar de huid vol scholden. Nu, na twee wereldoorlogen, schrikken de jongeren op bij elke twist tussen oudere mensen. Zij hebben geen beschermende bumpers meer, ze dreigen tussen de partijen vermorzeld te worden. Daarom trekken zij zich terug in zichzelf en gaan op zoek naar iets anders. Ze willen weg van die ingewikkelde, dorre theologieën, die vrede beloven maar het niet waarmaken.

De theologen vlogen elkaar naar de keel; op dat hoge niveau was men daar ontzettend druk mee. Maar wat had de gewone gelovige daar aan? Dat ging allemaal aan hen voorbij.

Ik kan het dan ook grotendeels eens zijn met Marilyn Ferguson, die in het achtste hoofdstuk van haar boek ‘De Aquarius-samenzwering‘ schrijft: “Terwijl de jongeren juist behoefte hebben aan een soort inwijding in een onzekere wereld, geven wij hen de beenderen van de begraafplaatsen van onze cultuur. Waar zij échte dingen willen doen, geven wij hen abstracte bezigheden, blanco ruimten om in te vullen met ‘de juiste antwoorden’, multiple choice om snel te kunnen zien of zij de juiste antwoorden wel weten te kiezen. Waar zij de behoefte voelen om zelf te zoeken naar de zin van het leven, vraagt de school dat zij feiten uit het hoofd kunnen leren: discipline gescheiden van intuïtie”. En: “Het allopathische onderwijs produceert door de leraar veroorzaakte stoornissen. We zouden dit pedogene (‘ingegroeide’) ziekten kunnen noemen.”

Gevaren
Onze jonge mensen willen van die eenzijdigheid af en switchen, net als Goethe, van het intellectuele naar het intuïtieve. In dat andere uiterste slaan ze vervolgens door. Als reactie op die enge hokjesgeest van vroeger is men op zoek gegaan naar de eenheid van de kerken. Maar men is doorgeslagen. Nu roept men om de eenheid van álle godsdiensten. Vroeger werd teveel gedacht in termen van scheiding, nu zijn we ‘holistisch’ gaan denken. God en mens worden één gemaakt, goed en kwaad worden hetzelfde en tussen christen, hindoe en islamiet maken we ook geen verschil meer. Dat is gevaarlijk.

Wat we nodig hebben is de manier van denken van Pascal. Sommige christenen reageren hierop door alles dat zweemt naar eenheid, onmiddellijk af te wijzen als zijnde New Age. Dat is een verkeerde reactie. Wat we nodig hebben is schuldbelijdenis. Voordat een blanke kan praten met een zwarte, zou hij moeten zeggen: ik belijd dat wij als blanken, als collectief, een grote schuld hebben ten opzichte van de zwarten. Voordat een man kan praten met een vrouw zou hij moeten zeggen: ik belijd dat wij als mannen groot onrecht hebben gedaan aan de vrouwen. Wij als ouderen zijn tekort geschoten ten opzichte van onze jongeren. Wij zijn zo eenzijdig geweest. Zo dragen wij dan de verantwoordelijkheid voor de gevolgen van ons gescheiden denken. En zo wordt de atmosfeer gezuiverd om opnieuw met elkaar in gesprek te gaan.

Pascal als oplossing
Mijns inziens zou het antwoord op Newton en Descartes niet Goethe moeten zijn, maar Pascal. De christen-leraar kan in Pascal de bezielende voorman zien. Pascal kende de grenzen van de natuurwetenschappen. Hij zegt bijvoorbeeld: “Waardoor weten wij zoveel van de wiskunde? Omdat dat gaat over een materie die geen weerstand kan bieden in zijn uiterste abstractie. We weten er zoveel van omdat het over zo weinig gaat. En waarom is godsdienst zo moeilijk? Dat valt af te leiden uit het feit dat er zoveel verschillende godsdiensten zijn. Dáár zitten blijkbaar spanningen in, daar zit weerstand in, daar zitten problemen aan vast en niet aan de wiskunde.” De christen-leraar zou daarom vooral ook een wijsgeer moeten zijn en minder de sofist die alleen maar voorgaat in de begeerte naar kennis. De wijsgeer stelt de oprechte vraag naar waarheid. God heeft in onze zintuigen en ons verstand een vermogen gegeven om onze medeschepselen genoegzaam te kunnen kennen. Niet absoluut (ontologisch). Maar ook niet terugwijkend (fenomenologisch). Het geloof in de schepping levert het vertrouwen op dat de waarheid genoegzaam kenbaar is.

Conclusies
De manier waarop wij wetenschap bedrijven, heeft zich losgemaakt van ons wijsgerig denken. Als je denkt in termen van ‘schepsel’ en ‘Schepper’ ligt daarin een beginsel van ordening. Je kunt als mens naar objecten kijken, want je staat er los van. Als je holistisch, intuïtief denkt, dan maak je je niet los van het geheel. Als ik dan iets wil begrijpen, ontdek ik dat ik het grote geheel van de wereld om mij heen niet kan omvatten. Transcendente Meditatie en Zen zeggen: “Als jouw begripsvermogen te beperkt is, moet je de werkelijkheid gaan overstijgen door je bewustzijn te verruimen. Niet door drugs maar door meditatietechnieken.”

Maar als je dat doet, als je die hogere bewustzijnstoestand ervaart, ontdek je, dat je in die toestand helemaal geen belangstelling meer hebt voor de wereld om je heen. Je mag dan ‘kosmisch vervuld’ zijn, ‘als God zijn’, je wilt je in die toestand helemaal niet meer bemoeien met je medemensen en met de ellende van de wereld. Je moet dan ook een onderscheid maken tussen het wetenschapsfilosofisch denken en de wetenschap zelf, het kennen uit ervaring en uit waarneming. Als je theologie bedrijft op de manier van empirische wetenschap, dan loop je je volledig klem. Als filosoof kun je denken wat je wilt, zoals Goethe en de romantici deden. Dan zie je dat deze stromingen puur bezig zijn met verzinsels. Maar als je wetenschappelijk bezig wilt zijn, moet je jezelf de discipline opleggen van een bepaalde methode.

Er zijn dingen die voor mijn bevattingsvermogen te groot zijn. Dat zijn de goddelijke mysteries van God en de goddeloze raadselen van de satan. Deze zaken kan ik nooit begrijpen. Ik kan wél bidden dat ik niet binnen de invloedsfeer van de duivelse raadsels zal vallen. En de goddelijke mysteries kan ik alleen maar in geloof aannemen.

De vreze des Heren
Het filosoferen heeft een bepaalde wet, die ons gewezen is in Spreuken 1:7: “De vreze des Heren (het rekening houden met God) is het begin van alle wijsheid”. Ik moet nadenken over de geopenbaarde dingen. Daarbij moet ik weten dat ik niet het absolute weten kan nastreven. Alleen God kan doorgronden. Hij doorgrondt mij. Hij kent mij beter dan ik mijzelf ken. Aan de andere kant hoef ik mijzelf ook niet te beperken tot datgene wat alleen mijn zintuigen mij vertellen. Ik kan niet zeggen: ik ken de waarheid. Ik moet daaraan iets toevoegen: ik ken de waarheid genoegzaam. Mijn kennen is niet absoluut, het is altijd ‘ten dele’. Tegelijk is deze kennis voor mij groot genoeg om het eeuwige leven te beërven. Groter dan mijn kennen moet mijn liefde en geloof zijn.

Waar ligt het gezonde evenwicht tussen het intellectuele en het intuïtieve denken? En wat is onze norm daarvoor? Die toetssteen is er wel. Op school wordt iedereen mede gevormd door leraren. Die laten een zeer diepe indruk achter en dat herinner je je nog tot op hoge leeftijd. Belangrijk is, dat de leraar je ziet als mens en niet als nummer. Bij God heeft iedereen een naam, maar de duivel werkt met nummers. Het Beest heeft geen naam, het heeft een getal. Jongelui willen weten of je écht bent! Ze hebben liever iemand die een verkeerde visie met overtuiging uitdraagt dan een christen die maar met alle winden meewaait.

Heer, ontferm U over mij
Het is niet van belang of alles, wat we in ons leven doen, klaar komt. Ons eschaton is het gebed, en niet onze schepping. Ons eschaton is: “Heer, ontferm U over mij”.

Wat ben ik als alles wat ik ondernomen heb, af is? Dan ben ik nergens, want in de dood ontvalt mij alles. Mijn postzegelverzameling en mijn fotoalbum, en noem maar op, zijn niet compleet, niet volmaakt. Dat hoeft ook niet! Als je maar kunt zeggen: mijn voltooiing zit in het aanroepen van mijn Heer! Af of niet af, zegt God dan, Ik promoveer je tot ‘af’ en je ontvangt het eeuwige leven!

© Stichting Sense als opvolger en rechthebbende van de Interkerkelijke Werkgroep “Bijbel of New Age”

 

Menu