Een christelijke Antropologie

C:\Stichting Sense\LOGO stichting SENSE.jpg

Rubriek Overige lezingen en artikelen
Titel Een christelijke antropologie
Lezing door Hans van Meurs op 20 juni 1992 bij Interkerkelijke Werkgroep “Bijbel of New Age”
Plaats, datum Utrecht, 20 juni 1992
Bewerkt door Drs. G. van Ginkel (Sense) 29 maart 2020
Korte inhoud Een beschrijving van de mens als Bijbelse eenheid van lichaam, ziel en geest. Daarbij krijgt het lichaam, in ontstaan en functioneren vanuit de biologie, speciale aandacht.
Trefwoorden antropologie, tempel, heilige Geest, androgyn, feminisme, Hans van Meurs
Bronnen eigen denkwerk, Bijbel

Een christelijke antropologie

Inleiding

Als christen en vanuit zijn vak als leraar biologie ontwikkelt Hans van Meurs een antropologie (menskunde) vanuit Bijbels gezichtspunt: de mens als eenheid van geest, ziel en lichaam. Zijn antropologie houdt met name rekening met de biologie van het menselijk lichaam.

Uitgangspunten

De uitgangspunten voor een christelijke antropologie zijn in een aantal opzichten afwijkend van die van een ‘neutrale’ antropologie:

  • Het vertrekpunt is niet ‘ik’, maar ‘ik geloof’. Ik bepaal mijn vertrekpunt vanuit God. Dit impliceert dat ik mijn studie moet toetsen aan Gods Woord. De christelijke antropoloog moet dus een dubbele studie doen: die van Gods Woord en die van de mens. Zijn denken is niet vrij, maar moet passen binnen het kader van gehoorzaamheid aan Gods Woord;
  • De mens is een schepsel en is niet door emanatie (uitstroming, uitstraling) uit God of ‘het goddelijke’ ontstaan. Hij is niet God en niet goddelijk. Er is geen vloeiende overgang tussen God en mens;
  • De mens is het enige schepsel dat geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis. Vanuit deze optiek staat de mens met God tegenover al het overig geschapene. Er is geen vloeiende overgang tussen mens en dier;
  • God heeft de eeuwigheid in het mensenhart gelegd. De dood is daarom niet ‘natuurlijk’, het is de straf op de zonde. De mens – aards, zondig en toch beelddrager van God, kroon op Gods schepping die Hem door de zonde uit handen is gevallen – wordt door God aangesproken.

Weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest?

1 Korinthe 6:12-20 zegt dat het lichaam van de gelovige een tempel is van de Heilige Geest. Mijn christelijke antropologie is in eerste instantie op dit tekstgedeelte gebaseerd.

Zoals de drie gedeelten van de tempel in Jeruzalem – de voorhof, het heilige en het heilige der heiligen – onlosmakelijk zijn verbonden, zo vinden we dezelfde drieslag terug bij de mens: lichaam (homoiostase), ziel (libido) en geest (spiritualiteit). In elk van die drie kan de mens zondigen. In het ‘heilige der heiligen’ bevond zich de ark met de tafelen van de Wet. De ark werd afgesloten door het verzoendeksel. Op deze plaats werd de Wet verkondigd en tegelijk vergeving geschonken van zonden tegen die Wet. In het Nieuwe Verbond schrijft God Zijn Wet in het hart van de mens. In de geest – ons ‘heilige der heiligen’ – vormt zich het geweten. Hier plaatst de Heilige Geest het besef van zonde en schuld. Hier vindt de verkondiging van vergeving van zonden en de invocatie (het aanroepen) van Jezus Christus plaats.

Het lichaam, zegt Paulus, is als de tempel zelf. Wie dus met zijn lichaam zondigt, zondigt niet meer in de sfeer van de ‘voorhof’, maar zondigt in de sfeer van ‘het heilige’.

drie ‘gebieden’ waarin de mens kan zondigen:

  • In de ‘voorhof’ (homoiostase) vallen zonden die ingaan tegen een gezonde levenswijze, bijvoorbeeld overmatig roken en drinken;
  • Het ‘heilige’ bevat zonden die ingaan tegen de eerlijke strijd om het dagelijks bestaan: fraude, diefstal, liegen enzovoort;
  • Het ‘heilige der heiligen’ is ons hart. De Heilige Geest wil de wet van God in ons hart schrijven en ‘overtuigen van zonde en gerechtigheid’. Ons hart moet Jezus als Heer binnenlaten met Zijn wet van de liefde. Zonde houdt hier in dat wij de wet van God uit de ark (ons hart) kieperen. Dat noemen we ‘vrijheid’. Zonder wet is er geen zonde en ook geen zondebesef.

Wie zondigt tegen het gebod van de liefde tussen man en vrouw, knoeit in het gebied van ‘het heilige’ en zondigt dichtbij het ‘heilige der heiligen’. Het ‘heilige’ en ‘heilige der heiligen’ werd gescheiden door een gordijn. Verzwakken van moraal en geknoei in seksueel opzicht brengt het geweten in de knel. Mensen die hieraan toegeven voelen goed aan dat zij daardoor niet meer recht voor God staan.

Wat is er van deze drie gebieden terug te vinden in de antropologie?

Homoiostase

De ‘voorhof’ is genoemd naar een begrip uit de biologie (Bijbels realisme): de homoiostase, letterlijk: ‘het gelijk gesteld zijn’, in dezelfde situatie blijven. Biologisch betekent dit: ons lichaam heeft een afweersysteem om het te beschermen tegen ziektekiemen en wonden te helen. (Ook: ik mag er zijn!) Dat leert de biologie. Het gaat om het gezond blijven. Dit heeft een verlengstuk in de maatschappij: de strijd om het bestaan, bijvoorbeeld solliciteren naar een baan en je werk uitoefenen. De ‘voorhof’ is zelfhandhaving, zowel fysiek als sociaal.

Het begint bij de bevruchte eicel. Haar kern bevat 22 chromosomen plus een X-chromosoom. Daar komt dan een zaadcel bij met 22 chromosomen plus een X- of een Y-chromosoom. Bij versmelting worden dat 46 chromosomen. Als er 2 X-chromosomen zijn, ontstaat een meisje; een X- + Y-chromosoom wordt een jongen. Welke ei- en zaadcel elkaar treffen is ‘toeval’. Als mijn moeder als jong meisje zou zijn omgekomen op zee, zou ik er niet zijn geweest. Als een andere zaadcel de eicel zou hebben bereikt, zou ik er ook niet zijn geweest, maar een broertje of zusje wel. En als mijn ouders op een ander moment gemeenschap zouden hebben gehad, zou ik er evenmin geweest zijn.

Zo gauw je zegt: “dan had ik een andere vader of moeder gehad”, ben je bezig de ziel pré-existent te maken, jezelf ‘in te vullen’ voordat er bevruchting zou zijn geweest. Dan ben je op de weg van reïncarnatie. Er is er maar Eén die pré-existent is geweest: Jezus Christus. Het is belangrijk dit vast te houden tegenover New Age-invloeden.

Zodra bevruchting heeft plaatsgevonden bestaat het prille ‘zelf’, een homoiostase dat zich moet handhaven. Waar komt de ziel vandaan? Die ontwikkelt zich in dat ‘zelf’, zoals daarin ook hersenen en gevoel tot ontwikkeling komen. De ziel is niet pré-existent, die hangt niet ergens in de kosmos te wachten op een passend lichaam. Je moet die ziel niet als een apart fenomeen zien. Lichaam en ziel zijn niet te splitsen. Ik houd mij aan het Bijbels realisme – lijnrecht tegenover het zwevende en speculatieve van de Oosterse godsdiensten.

Ben ik dan bij toeval verwekt, bij toeval geboren? God heeft het zo bedoeld dat Zijn kinderen voortdurend in gebed zouden zijn: “Bid zonder ophouden” (1Thess.5:17). In die sfeer is de gemeenschap met elkaar bedoeld. Maar voor de mens zonder God of gebod neemt de factor ‘toeval’ toe.

Is het leven hopeloos bij geboorte uit overspel en verkrachting? Volstrekt niet! Want God zegt: “Lo-Ammi; wat niet Mijn volk was, zal Mijn volk zijn!” (Hos.1:10;2:22). Door het evangelie geldt met terugwerkende kracht: Ik heb u liefgehad: “Al hebben vader en moeder mij verlaten, toch neemt de Heer mij aan” (Ps.27:10).

Als het kind geboren is, is het nog geheel afhankelijk van de moeder. Alles is er, maar nog heel klein: een homoiostase’tje, een libidootje, een spiritualiteitje (“wat kan-ie al wijs kijken...”). Als eerste gaat de homoiostase zich ontwikkelen: een baby groeit en werkt krachtig aan de uitbouw van zijn homoiostase. Groeien, jongens! Zorg ervoor dat je er bent!

Libido

De tweede zo’ne, libido, komt overeen met ‘het heilige’. Er zijn cellen om weg te geven: ei- en zaadcellen. Hier gelden andere wetten dan bij de homoiostase. Aan een krachtige homoiostase kun je zelf werken, het zelf verdienen. Maar dat gaat bij de liefde niet op. Hooglied 8:7 zegt: “Al bood iemand alles wat hij bezit voor de liefde, smadelijk zou men hem afwijzen“. Libido moet je ontvangen. Om ondoorgrondelijke redenen zegt een meisje ‘ja’ tegen een jongen. Niet omdat die jongen het verdient of een briljante baan heeft. Geld en goederen hebben niet de glans als die van een goede relatie tussen man en vrouw.

Homoiostase en libido zijn bij mannen en vrouwen ongelijk ontwikkeld. Mannen concentreren zich op zelfmanifestatie en hebben een machtige homoiostase. Hun borst en romp zijn er vol van. Hun libidozo’ne wordt als het ware ‘naar buiten’ geprojecteerd en hangt er wat bij. Hij is hierin kwetsbaar. De vrouw leeft in de mannelijke homoiostase die zich uitbreidt over het gezin. Hij verdedigt vrouw en kinderen. Als de man teveel op zijn homoiostase doorgaat, ontstaat er ‘masculinisme’; een door de man gedomineerd gezin en een vermannelijkte maatschappij. Daarin is enkel oog voor structuren, geldstromen en bulldozers.

Androgyn

In New Age horen we de opmerking: de mens is androgyn, dat wil zeggen: man en vrouw tegelijk. De biologische werkelijk is echter dat er in het prille begin, gedurende korte tijd, bij beide geslachten twee paren van twee geslachtswegen aanwezig zijn: de ‘buizen van Müller’ en de ‘buizen van Wolff’. Bij het embryo lijkt het alsof man en vrouw androgyn zijn, biologisch hebben zij een gelijk bouwplan. Daarna verschilt de ontwikkeling. Bij de vrouw ontwikkelen zich de ‘buizen van Müller’ tot eileiders en de ‘buizen van Wolff’ verschrompelen. Bij de man worden uit de ‘buizen van Wolff’ zaadleiders gevormd en de ‘buizen van Müller’ verkommeren. Eileiders en zaadleiders zijn dus niét homoloog, ze zijn van andere ‘buizen’ afkomstig.

De libido is bij de vrouw ‘geïnterioriseerd’ en bij de man ‘geëxterioriseerd’. De vrouw heeft een andersoortig, ‘overvloediger’, libido dan de man. Haar libido is inwendig, zij ís haar lichaam. Haar lichaam ís haar leven. Zij kan haar libido makkelijker integreren in haar leven, ook zonder man. Als een vrouw verkracht wordt, raakt dat niet alleen haar lichaam, maar vooral haar libido, dat ernstig gekwetst wordt. Een herhaaldelijk verkrachte vrouw kan sterven aan diepe verwonding van haar libido. Wat een abortus betekent voor haar libido wordt zwaar onderschat….

Bij de man is de libido aan de romp aangehangen; hij hééft een lichaam. Bij hem zakt als het ware een stuk van zijn ziel uit zijn romp. Hij wil dit kwetsbare onderdeel graag ‘onderdak brengen’. Jeremia 31:22 zegt: “De vrouw zal de man omvangen”. De man zoekt een vrouw, maar de vrouw zoekt medemenselijkheid. Op zakelijk gebied kan de vrouw veel leren van de man. De man kan van de vrouw leren wat betreft open staan voor de ander.

Feminisme

Wie stelt dat man en vrouw androgyn zijn verwijst hen terug naar de orde der ongewervelde dieren. Alsof man en vrouw niet verder gegroeid zijn dan een embryo van tien weken. Dit heeft ook gevolgen voor de maatschappij. Als de man zich niet weet te beheersen, ontstaat er een vermannelijkte samenleving: een masculinisme. Dat roept vrouwelijk verweer op: het feminisme. De vrouw accentueert dan haar homoiostase-eigenschappen, ze ‘vermannelijkt’ met geldingsdrang en prestatiedrift.

Feministen erkennen wel biologische verschillen tussen man en vrouw, maar geen psychische. Het menselijke lichaam heeft echter biologische realiteiten die doorverwijzen naar diepere, geheimzinnigere realiteiten. Een oog is een oog, maar in het kader van Bijbels realisme verwijst het biologische begrip ‘oog’ naar een diepere Deutung. Die link knippen feministen door. Zij hanteren het Griekse idee van de ziel die een lichaam ‘betrekt’. Zij zien lichaam en ziel als apart, terwijl de Bijbel uitlegt dat lichaam en ziel samen worden geboren en uitgroeien.

Verschillen

Hoe verbind je biologische verschillen met psychische verschillen? Psychologen en theologen zijn vaak onvoldoende realistisch. Als ik bezig wil zijn met Bijbels realisme, stel ik de vraag: Hoe ver kan ik het geestelijke verstaan door het te vergelijken met biologische gegevens? Die laten iets doorschemeren van achterliggende psychische realiteiten. Feministen ontkennen die verbinding. Voor hen zijn lichaam en psyche twee aparte zaken. Zij stellen dat vrouwelijke waarden algemeen menselijke waarden zijn. De ‘zachte’ libidowaarden van de vrouw moeten overheersen in de maatschappij als tegenwicht van het masculaire. Dat noemen zij het ‘feminiseren van de samenleving’. Maar door vrouwelijke eigenschappen dominant te willen maken is het feminisme in strijd met zichzelf. Er treden dan agressie en verharding op. Bij feministen onderling is er net zoveel ruzie als bij mannen. Zij willen een net zo machtige homoiostase als de man. Feministen ontkennen daardoor de scheppingsorde. Als ze man willen zijn dan moeten ze man kunnen worden. In feite accepteren ze zichzelf niet als vrouw. Als zij de maatschappij willen ‘verzachten’, zouden ze meer gebruik moeten maken van hun natuurlijke, zachte ‘libido-eigenschappen’ en die op ontwapenende wijze inzetten.

Invocaties

In een Bijbels verantwoorde antropologie staat mijns inziens het woord invocatie (aanroeping) centraal. Bij alle andere antropologieën is de mens in zichzelf ‘iets’, een in zichzelf bestaande ziel. In een Bijbelse antropologie gaat het om een invocatie: de mens is in zichzelf niéts. Ik ben geworden door van buiten opgenomen voedsel. De ene helft van mijn persoon kreeg ik van mijn vader, de andere helft van mijn moeder. Dit is het grote wonder: ik ben. Dat heet in de wijsbegeerte: ik ben contingent. Ik had er ook niet kunnen zijn. God is er!

Als de eerste invocatie wordt verhoord, betekent dit: het in stand houden van eigen leven (homiostase): “Het voedsel is voor de maag en de maag voor het voedsel” (1Kor.6:13). De tweede invocatie is die van man én vrouw, gelegen in de libidozo’ne. Als deze invocatie wordt verhoord, komen man en vrouw tot hun bestemming. De een is zichzelf teveel (de man) en de ander wordt vervuld (de vrouw). Daaruit komt nieuw leven voort. Onze libido moet niet het verlengde worden van homoiostase met zijn wetten van het ‘hebben’. Wij moeten ontdekken dat ons libido betekent: het ‘er zijn’ voor elkaar. De wetten van ons libido zijn een voorklank van de wetten van spiritualiteit.

De derde invocatie betreft de spiritualiteit. Belangrijk in het gesprek met New Age-mensen is vast te houden aan de gedachte dat spiritualiteit in het verlengde van onze homoiostase ligt. In het verlengde van ‘jongens, ik bén er’, ik ga op avontuur uit. Als je dit los laat ben je alleen maar een ‘zelf’. Dan kom je nooit tot ‘de ander’ (libidozo’ne), en ook niet tot ‘de Ander’ (spirituele zo’ne). Een stoel heeft geen ‘zelf’, een dier heeft dat wel. Alleen de mens kent de relatie ik – jij; het ‘tegenover’. Ik neem daarom de ‘kalverliefdes’ van onze pubers serieus. Want als een jongen een meisje vindt, kan hij ook God vinden. Haar liefde is met geen schatten der aarde te koop. Daar groeit het besef van relatie met ‘de ander’ als afspiegeling van onze spirituele verhouding tot God, ‘de Ander’. Jonge mensen zijn op die momenten kwetsbaar. Er gebeuren in die fase ook ongelukken die men zijn leven lang niet meer vergeet of ongedaan maakt.

De tweede invocatie is belangrijk voor de ontwikkeling van de spiritualiteit. Gedichten over liefde tot geliefde lijken in hun mystiek op de psalmen en gebeden over de liefde tot God. De vrouwelijke libido en de vrouwelijke spiritualiteit gaan mooi in elkaar over. Op het punt van spiritualiteit hoeven vrouwen minder te leren dan mannen van wie de weerbarstige eigen geest is vaak te trots om hulp te vragen, zelfs van God. In een sterk masculaire maatschappij als de onze wordt ook de spiritualiteit al gauw ‘mannistisch’. De man begint met zijn structuren (eerste invocatie), slaat de relatie over en plaatst de theologie direct in zijn denkpatronen (derde invocatie). Die theologie ligt dan teveel in het verlengde van de homoiostase, van het ‘zelf’ en houdt te weinig rekening met de ander en met God als ‘de Ander’. Daardoor is zo’n theologie dor en onevenwichtig door het ontbreken van mystiek. Er moet in alles een balans zijn, met erkenning van het typisch mannelijke èn het typisch vrouwelijke.

De dood triomfeert tenslotte over de homoiostase, want we zijn sterfelijke mensen. De liefde, de libidozo’ne, is sterker dan de homoiostase, maar niet sterker dan de dood. Tussen deze beide zones bestaat een soort patstelling. De grote overwinning op de dood ligt op het terrein van de spiritualiteit: “Wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven“.

Conclusie

Deze antropologie beoogt vanuit een evenwichtige mensbeschouwing, de mens te zien als schepsel van God. Dit met het oog op het doel dat de Schepper heeft met een mensenleven: Hem te eren. Dat is de zin van het leven. Wat kunnen man en vrouw elkaar prachtig aanvullen! Dit is vooral van belang voor jonge mensen; die zitten met de vraag: “Wie ben ik?”. Een antropologie moet niet te algemeen zijn, men moet alles op zichzelf kunnen toepassen. Als die ene eicel niet was samengesmolten met die ene zaadcel, dan zou de ‘ík’ er niet zijn geweest!

Iets te leren aan collega’s is moeilijk, ouderen komen vaak met tegenwerpingen. Dit verhaal kan ik wel in de klas kwijt. Als een mens geen inspiratie en invloed van God accepteert, dan rest een ‘zelfkick’ op eigen gevoelens. Dan is er geen spiritualiteit uit de bovenwereld, maar uit de onderwereld, zoals geloof in ‘Moeder aarde’ (de materie) en Gaia de oergodin .. .

Het belangrijkste voor de ontwikkeling van een gezonde spiritualiteit in christelijke zin, is gelegen in het overtuigen van zonde en genade. Het is gezond te erkennen dat je fouten maakt. Ouders en leraren kunnen daarin voorgaan. Tegelijkertijd is het noodzakelijk te wijzen op vergeving door Jezus Christus (spirituele zo’ne). God wil wonen in het ‘heilige der heiligen’. In het Oude Testament was dat de tempel in Jeruzalem. Sinds Golgotha is dat het hart van de mens. Als ik daar ‘ja’ op zeg, betekent dat voor mij eeuwig leven.

© Stichting Sense als opvolger en rechthebbende van de Interkerkelijke Werkgroep “Bijbel of New Age”

 

Menu